Geen zelfrealisatie Hedwigepolder: onteigening uitgesproken

Verweer zelfrealisatie De Cloedt wordt door de rechtbank verworpen in de uitspraak van 8 juni 2016 (ECLI:NL:RBZWB:2016:3332). De rechtbank oordeelt dat de Staat belang heeft bij beheer van het totale ontpolderingsproject zonder afhankelijk te zijn van de medewerking van de eigenaar. De rechtbank verwerpt daarnaast de formele bezwaren inzake het overbetekenen van de dagvaarding aan de hypotheekhouder. De voorafgaande beslissing van de Kroon, die ook het beroep op zelfrealisatie had gepasseerd, wordt marginaal getoetst.

Zelfrealisatie

De Cloedt doet een beroep op zelfrealisatie waarbij de Staat de kosten van de uit te voeren werken zou betalen. Een bijzondere situatie, nu het geen lucratief project betreft. De Cloedt heeft zich telkens op het standpunt gesteld dat hij het weliswaar volstrekt oneens is met het rijksinpassingsplan, maar dat hij desalniettemin bereid is dit plan zelf uit te voeren indien het onherroepelijk komt vast te staan. De Staat dient in dat geval volgens De Cloedt wel de kosten van planuitvoering te betalen.

De Kroon heeft het zelfrealisatieverweer van De Cloedt gepasseerd, onder meer omdat het beroep op zelfrealisatie niet onvoorwaardelijk was gedaan en een concreet plan ontbrak. Dit acht de rechtbank onterecht. De Cloedt kan niet worden aangerekend dat hij geen concreter plan heeft overgelegd dan zijn toezegging om het plan uit te voeren conform het rijksinpassingsplan. De rechtbank acht het Kroonbeleid waarop het KB Hedwigepolder is gebaseerd niet consistent met het KB van 23 april 2015, Stcrt. 2015 nr. 12855 van 21 mei 2015 (Echt-Susteren). In laatstgenoemd KB stelt de Kroon geen verdere eisen aan het zelfrealisatieverweer dan dat de eigenaren “zich conformeren aan de door de gemeente gewenste vorm van planuitvoering”.

Het beroep op zelfrealisatie is desalniettemin terecht door de Kroon gepasseerd. Volgens de rechtbank hoeft het feit dat De Cloedt niet over alle benodigde gronden beschikt zelfrealisatie niet in de weg te staan, nu De Cloedt heeft aangeboden om de ontbrekende gronden alsnog in eigendom te verwerven. Het beroep op zelfrealisatie struikelt op de kosten gemoeid met het project. De rechtbank acht het nog wel voorstelbaar dat wordt afgeweken van het uitgangspunt dat de zelfrealisator voor de uitvoering van het plan betaalt, als het te realiseren project niet lucratief is. De rechtbank is echter van oordeel dat in dit geval niet van de Staat kan worden verlangd dat hij de kosten van de ontpoldering draagt, terwijl De Cloedt eigenaar blijft van de percelen. De Staat heeft in die situatie slechts beperkt zeggenschap op de (wijze van) uitvoering van het ontpolderingsproject en het beheer van het gebied op de langere termijn, aangezien hij telkens bij onderhoudswerkzaamheden afhankelijk is van De Cloedt. De rechtbank oordeelt dat deze afhankelijkheid, mede gelet op de aard van het werk, te weten een waterstaatswerk, terecht onwenselijk wordt geacht door de Staat.

Minnelijk overleg zelfrealisatie

De Cloedt stelt dat de Staat onvoldoende heeft onderhandeld over de mogelijkheid van zelfrealisatie en de optie van eeuwigdurend erfpacht. De rechtbank gaat hier niet in mee, deels met verwijzing naar hetgeen hiervoor over het zelfrealisatieverweer is overwogen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de Staat voldoende heeft onderhandeld over de optie van een eeuwigdurend erfpacht, nu uit een brief van de Staat blijkt dat partijen hierover hebben gesproken en de Staat in die brief gemotiveerd heeft aangegeven waarom eeuwigdurend erfpacht geen optie is. Het gaat volgens de Staat om de uitvoering van een rijksproject, waarin niet alleen nationale belangen zijn gediend, maar ook internationale verplichtingen aan de orde zijn. Bovendien moeten infrastructurele werken worden aangelegd en beheerd die van groot belang zijn voor de hoogwaterbescherming van Nederland. Alleen het eigendomsrecht biedt in deze situatie voldoende waarborgen om de gestelde doelen ook daadwerkelijk te kunnen bereiken. De rechtbank is van oordeel dat niet geconcludeerd kan worden dat de Staat, door zich op voornoemd standpunt te stellen, onvoldoende heeft onderhandeld over de optie van eeuwigdurend erfpacht.

Dagvaarding niet nietig

Hypotheekhoudster ABN AMRO N.V. heeft weliswaar niet binnen een week na het uitbrengen van de dagvaarding een exemplaar van de dagvaarding overbetekend gekregen, maar de rechtbank verbindt hier geen sanctie aan. De Cloedt komt als eigenaar geen beroep toe op art. 18 lid 4 Ow, deze bepaling beoogt slechts de belangen van derden te beschermen. Bovendien kent de Onteigeningswet geen sanctie toe aan het niet op juiste wijze informeren van de hypotheekhouder omtrent de aanhangig gemaakte onteigeningsprocedure. Hooguit kan een schadevergoedingsplicht van de onteigenaar jegens deze hypotheekhouder ontstaan.

In de procedure is echter vast komen te staan dat ABN AMRO N.V. op de hoogte is van de onteigeningsprocedure en geen gebruik wenst te maken van haar recht om tussen te komen. Daarnaast weerspreekt de rechtbank dat de stelling van De Cloedt dat de vervoegde descente vanwege het niet op juiste wijze betrekken van de hypotheekhouder niet kan gelden als een formele plaatsopneming. Of in de afzonderlijke verzoekschriftprocedure op grond van art. 54a Ow aan alle formele vereisten is voldaan, is in de onderhavige procedure niet aan de orde.

Planologische grondslag

Het verweer van De Cloedt dat de planologische grondslag voor de gevorderde onteigening in strijd is met het recht legt de rechtbank eveneens naast haar neer. Aangezien het betreffende rijksinpassingsplan onherroepelijk is geworden, staat de planologische grondslag vast. De onteigeningsrechter dient van de rechtmatigheid, zowel voor wat betreft de inhoud als wat betreft de wijze van totstandkoming, van het planologisch besluit dat aan de onteigening ten grondslag ligt uit te gaan.

Het beroep dat De Cloedt nog heeft lopen bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens brengt hier geen verandering in, maar kan hoogstens leiden tot een schadevergoedingsverplichting van de Staat jegens De Cloedt. Ook de door De Cloedt bestreden onafhankelijkheid van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als hoogste bestuursrechter als het gaat om een onderwerp waar de Afdeling advisering van diezelfde Raad van State zich al eerder over heeft gebogen, wettigt niet de conclusie dat vrees ten aanzien van de onpartijdigheid van de Afdeling bestuursrechtspaak objectief gerechtvaardigd is. Dit deel van het verweer faalt eveneens.

Taak onteigeningsrechter

De Cloedt stelt dat het Koninklijk Besluit (KB) onrechtmatig is, zowel de inhoud als de totstandkoming. De rechtbank geeft aan dat de burgerlijke rechter zich dient te beperken tot een marginale toetsing van het onteigeningbesluit. In rechtsoverweging 5.3 geeft de rechtbank weer wat de nauwkeurig afgebakende taak van de onteigeningsrechter inhoudt. Deze maatstaf, die overigens aansluit bij de maatstaf zoals die door de Hoge Raad is geformuleerd in onder meer het arrest Strijpse Kampen (HR 9 februari 2000, NJ 2000, 418, ECLI:NL:HR:2000:AA4852), wordt door de rechtbank als volgt (in r.o. 5.3) weergegeven:

“Vooropgesteld zij dat tot de nauwkeurig afgebakende taak van de onteigeningsrechter in beginsel, want behoudens de toetsing in het kader van artikel 17 Ow, niet behoort de beoordeling van de vraag naar – onder meer – de noodzaak van de onteigening. Deze beoordeling is overgelaten aan het bestuur. De onteigeningsrechter is bevoegd het onteigeningsbesluit inhoudelijk te toetsen, als de stellingen van de te onteigenen partij daartoe aanleiding geven. Daarbij dient de rechter de rechtmatigheid van het onteigeningsbesluit te toetsen en wel in beginsel naar de situatie ten tijde van het besluit (ex tunc). In beginsel is voorwaarde voor een dergelijke toetsing dat de te onteigenen partij haar bezwaren al in de aan het onteigeningsgeding voorafgaande administratieve procedure heeft kenbaar gemaakt. Een uitzondering hierop is aan de orde wanneer hetgeen de onteigende aanvoert, meebrengt dat de onteigening in het licht van na (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit gewijzigde of aan het licht gekomen omstandigheden aan de zijde van de onteigenende partij in strijd is met het recht, omdat de onteigening niet (meer) geschiedt ten behoeve van het doel waarvoor volgens het onteigeningsbesluit onteigend wordt, of omdat ten gevolge van gewijzigde inzichten met betrekking tot de uitvoering van een aan de onteigening ten grondslag liggend besluit of plan niet (meer) kan worden gezegd dat de onteigening geschiedt ter uitvoering daarvan. De burgerlijke rechter dient zich evenwel te beperken tot een marginale toetsing van het onteigeningsbesluit. De toetsing zal zich beperken tot de vraag of de Kroon bij afweging van de wederzijdse belangen in redelijkheid heeft kunnen komen tot het oordeel dat onteigend dient te worden.”

Rechtmatigheid KB

Vervolgens legt de rechtbank het verweer van De Cloedt langs deze maatstaf. Een deel van de stellingen van De Cloedt zijn tevens in de administratieve procedure aangevoerd en door de Kroon gemotiveerd weerlegd. De rechtbank gaat aan deze stellingen voorbij.

Ook de stelling dat de procedure zoals die door de Kroon werd gevolgd in strijd is met het beginsel van hoor en wederhoor wordt niet door de rechtbank gevolgd, nu De Cloedt onvoldoende heeft onderbouwd dat hij in zijn belangen is geschaad.
Als hiervoor aangegeven heeft de Kroon in redelijkheid het zelfrealisatieverweer van De Cloedt kunnen passeren.

De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, geen gronden om de onteigeningsvordering van de Staat af te wijzen en spreekt de vervroegde onteigening uit. De Cloedt kan een cassatieberoep instellen tegen deze uitspraak.

Eerder verschenen op dit blog al bijdragen over het KB Hedwigepolder, Onteigening en positie huurders/pachter, alsmede over de door De Cloedt binnen de gerechtelijke onteigeningsprocedure ingestelde exhibitievordering, Exhibitieplicht in onteigeningsprocedure Hedwigepolder.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.