Geen schadeloosstelling ondanks te late uitvoering

HR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:757

Met dit arrest is een einde gekomen aan een langdurende nasleep van een onteigeningsprocedure die al in 1998 was ingezet. Centraal stond de vordering van de oorspronkelijk eigenaar tot teruglevering van hetgeen van haar onteigend was, althans tot uitkering van een aanvullende vergoeding, omdat pas na verloop van meer dan drie jaar met het werk waarvoor onteigend was een aanvang was gemaakt (art. 61 Ow). Maar hoewel niet ter discussie stond dat meer dan drie jaren waren verstreken, trekt de voormalig eigenaar toch aan het kortste eind.

Voorgeschiedenis

De Gemeente Eindhoven wilde ten behoeve van woningbouw uitbreiden op gronden van een militaire vliegveld. De Staat (eigenaar van het vliegveld) wilde daaraan meewerken, mits hij dan elders vervangende grond zou verkrijgen. Daartoe heeft de Gemeente gronden onteigend. Het onteigeningsvonnis werd op 20 december 2000 onherroepelijk en werd op 21 mei 2001 ingeschreven in de openbare registers. De Gemeente heeft het onteigende op 10 december 2003 aan de Staat in eigendom overgedragen. Na 20 december 2003 maar voor 21 mei 2004 wordt met de uitvoering van het werk gestart. Dat was te laat, omdat de in artikel 61 Ow opgenomen termijn van drie jaar aanvangt op het moment dat het vonnis van onteigening onherroepelijk is geworden en niet pas op het moment van inschrijving.

Teruglevering

De oorspronkelijk eigenaar eiste daarom dat het onteigende aan haar zou worden teruggeleverd. Die vordering haalde het niet, omdat de grond al aan de Staat was geleverd waardoor de Gemeente niet meer tot teruglevering in staat was.
De oorspronkelijk eigenaar stelde voorts dat Staat en Gemeente jegens haar onrechtmatig handelden door niet terug te leveren. Naar het oordeel van de Hoge Raad sneuvelde deze vordering alleen al vanwege het feit dat geen rechtens te respecteren belang bestond bij terugvordering van het onteigende omdat de bestemming waarvoor was onteigend intussen gerealiseerd was. Onduidelijk is of in zo’n geval een vordering tegen de onteigenende partij vanwege gebrek aan belang evenmin kan slagen (HR 25 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9557).

Aanvullende schadeloosstelling

Vervolgens vroeg de oorspronkelijk eigenaar om een aanvullende schadeloosstelling (art. 61 lid 2 Ow). Ook die vordering haalde het niet. Het Hof achtte de termijnoverschrijding van twee à drie maanden daarvoor te gering. De oorspronkelijk eigenaar had ook niet aannemelijk weten te maken dat zij door die termijnoverschrijding enig nadeel had ondervonden. De Hoge Raad laat de overwegingen van het Hof in stand. Hij overweegt daartoe onder meer dat met artikel 61 Ow weliswaar is beoogd om onnodige en ontijdige onteigeningsprocedures te voorkomen, maar dat het artikel geen punitief karakter heeft. De aanvullende schadeloosstelling is dus niet bedoeld als straf vanwege termijnoverschrijding.

Slotsom

Met deze uitspraken lijkt artikel 61 Ow aan betekenis te hebben ingeboet. Vanwege het arrest uit 2011 lijkt een recht op teruglevering niet te bestaan wanneer het werk alsnog (maar te laat) is uitgevoerd of wanneer vast staat dat dit nog zal gebeuren. Een recht op een aanvullende schadeloosstelling lijkt alleen te bestaan wanneer er boven de reeds uitgekeerde schadeloosstelling extra schade is ondervonden (bijvoorbeeld doordat hetgeen onteigend is op een latere peildatum anders getaxeerd zou zijn). Bij geringe termijnoverschrijdingen zal dit vaak moeilijk aangetoond kunnen worden.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *