Schadeloosstelling gedoogplicht BP niet naar analogie Onteigeningswet

Het Gerechtshof Den Haag heeft op 23 januari 2018 een opmerkelijk arrest gewezen over de wijze waarop de schadeloosstelling moet worden begroot die het gevolg is van een gedoogplicht op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht (BP). Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch overwoog in zijn arrest van 16 juni 2009 dat ‘de BP voorziet in een (…) financiële compensatie die qua karakter en resultaat vergelijkbaar is met een door de Onteigeningswet verzekerde schadeloosstelling’. Daarentegen oordeelde het Gerechtshof Den Haag dat ‘nu er geen sprake is van onteigening in de zin van de Onteigeningswet er evenmin grond is de schade te begroten aan de hand van of naar analogie van de Onteigeningswet’.

Gedoogplicht BP voor 380 kV-hoogspanningslijn

In 2009 is een rijksinpassingsplan vastgesteld waarin het tracé van een door TenneT aan te leggen 380 kV-hoogspanningslijn planologisch mogelijk is gemaakt. Met de rechthebbenden ten aanzien van gronden waarover een deel van het tracé loopt is geen overeenstemming bereikt over de vestiging van een zakelijk recht, waarna de Minister in 2011 een gedoogplicht heeft opgelegd. De onderhavige procedure betreft de hoger beroepsprocedure tegen het vonnis van de kantonrechter van 21 juni 2016.

Eerste aanleg

De rechthebbenden hebben in eerste aanleg o.a. betaling gevorderd van € 537.290,65 als (volledige) schadeloosstelling en van € 107.290,65 voor deskundigenkosten. De kantonrechter heeft de schadeberekening van de deskundige overgenomen en TenneT veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 3.635,=. De deskundige heeft de nadelen die het gevolg zijn van het moeten gedogen van de aanleg van het werk op genoemd bedrag begroot gebaseerd op de periode van zeven weken waarin de strook voor de aanlegwerkzaamheden zou worden gebruikt; schade als gevolg van het moeten gedogen van de instandhouding van het werk zal volgens hem alleen optreden bij eventuele toekomstige calamiteiten en zijn daarom buiten beschouwing gelaten. Het gevorderde bedrag aan deskundigenkosten heeft de kantonrechter als onvoldoende onderbouwd afgewezen.

Hoger beroep

De rechthebbenden hebben in hoger beroep bepleit dat zij recht hebben op een volledige schadeloosstelling die moet worden begroot, al dan niet naar analogie, aan de hand van het instrumentarium van de Onteigeningswet. Daarbij geven zij aan de vrije beschikking over de belaste strook verloren te zijn, onder meer omdat zij volledig afhankelijk zijn van TenneT wat betreft de vraag wat op de grond mag gebeuren. Het overige deel van het perceel (buiten de belaste strook) is als gevolg van de gedoogplicht eveneens in waarde verminderd.

Ter onderbouwing van hun betoog hebben de rechthebbenden verwezen naar de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel Omgevingswet, waarin onder meer is opgenomen:

In dit artikel wordt aangesloten bij de formulering van de schadeloosstelling zoals opgenomen in artikel 40 onteigeningswet (artikel 15.2 Omgevingswet). Dit omdat voor de gedoogplichten die onder Belemmeringenwet Privaatrecht worden opgelegd uit de jurisprudentie (o.m. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, op 16 juni 2009 (…), volgt dat die wet voorziet in een financiële compensatie die qua karakter en resultaat vergelijkbaar is met een door de onteigeningswet verzekerde schadeloosstelling.’

Het hof volgt dit betoog echter niet. Voor het verkrijgen van een tegemoetkoming in de schade als gevolg van het rijksinpassingsplan stond (exclusief) de weg open van artikel 6.1 Wro, welke bepaling betrekking heeft op de vergoeding van planschade, zo overweegt het hof. De schade waarvoor een schadeloosstelling op grond van artikel 3 jo. 14 BP kan worden gevraagd, is uitdrukkelijk beperkt tot schade die een gevolg is van de aanleg en instandhouding van het werk. Voor een uitbreiding van de schade tot waardevermindering van de grond als gevolg van het rijksinpassingsplan is in het recht geen steun te vinden. Nu er geen sprake is van onteigening is er evenmin grond de schade te begroten aan de hand van of naar analogie aan de Onteigeningswet. De Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel van de Invoeringswet Omgevingswet biedt geen steun voor een zodanige uitbreiding. Zo al die Memorie een voorbode zou zijn van een andere regeling van de schadevergoeding, vormt deze regeling een breuk met de huidige wettelijke regeling(en). In het bijzonder is de eliminatieregel zonder (geldende) wettelijke grondslag niet toe te passen op de regels voor schadeloosstelling onder de BP. In de rechtspraak tekent zich geen ontwikkeling af die kan worden gekenmerkt als een anticipatie op het overbruggen van deze (veronderstelde) breuk, aldus nog steeds het hof.

Opmerkelijk is dat het hof daarbij geen aandacht lijkt te besteden aan het feit dat de rechthebbenden uitsluitend als gevolg van de gedoogplicht (en niet van het rijksinpassingsplan) moeten goedvinden dat de hoogspanningslijn boven hun gronden hangt. Als daardoor waardevermindering optreedt, valt niet goed te begrijpen dat die schade niet vergoed wordt. Het betreft dan geen planschade, want het rijksinpassingsplan geeft TenneT nog niet het recht om een inbreuk op andersmans eigendomsrecht te maken.

Deskundigenkosten en proceskosten

Ook voor wat betreft de kosten van deskundige bijstand en rechtsbijstand oordeelt het hof dat de grondslag ontbreekt voor het trekken van een parallel met het onteigeningsrecht, nu geen sprake is van onteigening. Bij gebreke van een specifieke regeling in de BP dient aansluiting gezocht te worden bij de regeling in artikel 6:96 lid 2 BW. Het hof laat het oordeel van de kantonrechter, dat deze schade onvoldoende is onderbouwd, in stand.

Tot overmaat van ramp zijn de rechthebbenden, als zijnde de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het betreft een bedrag van € 16.898,=, derhalve een veelvoud van de te ontvangen schadevergoeding.

 

2 antwoorden
  1. Rinus Meulenberg
    Rinus Meulenberg zegt:

    Geachte mevrouw De Roos, beste Jessica,

    Heeft het Hof de hoogte van de schadevergoeding als zodanig gehandhaafd of is dit ook aangepast, en zo ja, tot welk bedrag.

    Wanneer op zeer korte afstand, bijvoorbeeld 50-60 meter, van een nog te realiseren hoogspanningsleiding een (groot) (varkenshouderij)bedrijf gelegen is, moet dan gevreesd worden dat een vergelijkbare benadering geldt. Door de komst van de leiding is het bedrijf onverkoopbaar, dan wel daalt de waarde daarvan fors.

    Beantwoorden
    • Jessica de Roos
      Jessica de Roos zegt:

      De kantonrechter had de schadevergoeding in eerste aanleg vastgesteld op € 3.635,= en het hof heeft dat in stand gelaten.
      De gedachtegang van dithof is dat de waardedaling veroorzaakt wordt door de planologische grondslag en niet door de gedoogplicht. Deze gedachtegang zou kunnen worden doorgetrokken naar allerlei verschillende gevallen.

      Beantwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *