Onteigening Hedwigepolder moet mogelijk over

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij haar uitspraak van 8 juni 2016 tot onteigening van de gronden in de Hedwigepolder het Koninklijk Besluit, waarin de grond ter onteigening is aangewezen, niet streng genoeg gecontroleerd. De uitspraak moet dan ook worden vernietigd. Dat stelt (waarnemend) advocaat-generaal bij de Hoge Raad Van Oven in zijn Conclusie zoals die op 29 september is gepubliceerd (ECLI:NL:PHR:2017:980).

De overheid wil de gronden in de Hedwigepolder onteigenen zodat de polder kan worden ontpolderd. De eigenaar wil de gronden in eigendom houden en, als de ontpoldering niet kan worden voorkomen, het project zelf uitvoeren op kosten van de Staat. De rechtbank oordeelde dat de Staat mag doorgaan met de onteigening. De eigenaar heeft tegen die beslissing cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.

De advocaat-generaal stelt in zijn conclusie, kort samengevat, dat de rechtbank met name de optie van ontpoldering zonder onteigening (de zogenoemde zelfrealisatie), waarop de eigenaar aanstuurt, onvoldoende heeft uitgediept.

De conclusie van de advocaat-generaal is een onafhankelijk advies aan de Hoge Raad die vrij is dat advies al dan niet te volgen.

De Hoge Raad verwacht op 2 februari 2018 uitspraak te doen in deze zaak.

2 antwoorden
  1. Peter Kuijpens
    Peter Kuijpens zegt:

    De conclusie van de AG is, in mijn versimpeling, dat de beoordeling van het onderdeel zelfrealisatie, en dan met name de beoordeling wie de kosten zou moeten dragen, onvoldoende is uitgewerkt door de rechtbank. Dat daarmee de gehele onteigeningsprocedure over moet, wat de kop van deze blog doet vermoeden, wil er bij mij niet direct in.
    Volgens mij kan een nadere motivering van de rechtbank, na verwijzing, volstaan. Er vanuit gaande dat de HR de conclusie volgt. Ik ben benieuwd naar de uitspraak, maar ik verwacht niet dat de gehele procedure nu op zijn gat ligt.

    Beantwoorden
  2. Peter Kuijpens
    Peter Kuijpens zegt:

    Zojuist (5 januari 2018) gemeld op Rechtspraak.nl: onteigening mag worden doorgezet. De HR is afgeweken van de conclusie van de AG.

    Overgenomen tekst:
    Het oordeel van de rechtbank Zeeland-West Brabant van 8 juni 2016 dat de Staat mag doorgaan met de onteigening van de Hedwigepolder in Zeeuws Vlaanderen blijft in stand. Dat heeft de Hoge Raad vandaag bepaald.

    De Staat wil de Hedwigepolder ontpolderen zodat de polder kan worden teruggegeven aan de natuur. Daardoor zal deze, samen met het Verdronken Land van Saeftinghe en de al ontpolderde en op Vlaams grondgebied gelegen Prosperpolder, deel gaan uitmaken van het getijdengebied van de Westerschelde. De Staat heeft zich daartoe verplicht in een verdrag dat in 2005 is gesloten tussen Nederland en Vlaanderen.

    De eigenaar van het grootste gedeelte van de Hedwigepolder wil de gronden behouden. De Staat heeft geen overeenstemming met hem kunnen bereiken over de verkoop van zijn gronden aan de Staat. Daarom heeft de Staat besloten tot onteigening. Een besluit tot onteigening wordt genomen door de Kroon, in een Koninklijk Besluit. Als de eigenaar van de te onteigenen grond het daar niet mee eens is, kan hij een procedure beginnen bij de rechtbank. Deze beoordeelt dan of het besluit tot onteigening rechtmatig is. De eigenaar van de gronden in de Hedwigepolder heeft zo’n procedure ingesteld. Hij stelde daarin onder andere dat de procedure die heeft geleid tot het Koninklijk Besluit onzorgvuldig is geweest, zodat het onteigeningsbesluit onrechtmatig is. Verder stelde hij dat de Staat onvoldoende met hem heeft overlegd over zijn wens om, als de ontpoldering moet doorgaan, de werkzaamheden die daarvoor nodig zijn zelf uit te voeren, met behoud van eigendom van de grond (‘zelfrealisatie’). De rechtbank vond deze bezwaren tegen het onteigeningsbesluit ongegrond en liet het besluit in stand. De eigenaar heeft tegen die uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.

    De advocaat-generaal bij de Hoge Raad was het in zijn conclusie d.d. 29 september jl. met de eigenaar eens dat de Staat het alternatief van zelfrealisatie onvoldoende heeft onderzocht en dat het besluit over de onteigening over moet.

    De Hoge Raad komt tot een ander oordeel en verwerpt het cassatieberoep. De Hoge Raad is van oordeel dat de Staat het alternatief van zelfrealisatie mocht afwijzen omdat het gaat om grootschalige infrastructurele werken, waaronder waterkeringen waarmee de openbare veiligheid is gemoeid.

    Met de uitspraak van de Hoge Raad is de onteigening definitief. Er zal nog verder geprocedeerd moeten worden over de schadevergoeding voor de eigenaar.

    Beantwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.