Geen baatafroming bij Hoog Dalem Gorinchem

Beroepen op baatafroming zijn schaars in het onteigeningsrecht en eigenlijk steeds zonder succes. De procedure Hoog Dalem Gorinchem is hiervan het meest recente voorbeeld.

Voorgeschiedenis

Dit arrest (ECLI:NL:GHDHA:2019:158) is een vervolg op één van de eliminatiearresten van de Hoge Raad van 15 januari 2016 (eerder besproken op dit blog). De gemeente onteigende ter realisering van de derde fase van het woongebied Hoog Dalem. Het onteigende had daartoe een woonbestemming gekregen om het werk te kunnen realiseren. De rechtbank oordeelde dat deze woonbestemming bij de bepaling van de waarde buiten beschouwing diende te blijven. Zoals bekend oordeelde de Hoge Raad anders en verwees de procedure naar het Hof Den Haag.

Beroep op baatafroming

Gelet op het oordeel van de Hoge Raad zag de gemeente natuurlijk wel aankomen dat de woonbestemming bij de waardering zou worden betrokken. Om die reden pleitte de gemeente vervolgens voor baatafroming (art. 40e Ow).

In een eerste tussenarrest (Gerechtshof Den Haag 13 juni 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1674) oordeelde het Hof dat baatafroming alleen aan de orde is wanneer de omstandigheden vergelijkbaar zijn met omstandigheden waarin planschade kan worden toegekend, spiegelbeeldig toegepast.

Daarom kan een waardevermeerdering die in de lijn der verwachting ligt volgens het Hof in beginsel niet worden afgeroomd. Het Hof verwijst daarbij naar de wetsgeschiedenis. Deskundigen kregen van het Hof de opdracht om met inachtneming van dit uitgangspunt nader te adviseren.

Slotoordeel Hof

In zijn eindarrest oordeelt het Hof dat voor baatafroming geen plaats is. Deskundigen hadden op basis van historisch onderzoek overtuigend beargumenteerd waarom uitbreiding in de richting van het onteigende in de lijn der verwachting lag. De Gemeente wierp nog tegen dat zij eigenlijk een andere voorkeur had. De Provincie dwong de Gemeente daarentegen in de richting van het onteigende uit te breiden. Het Hof passeert dit standpunt. Die omstandigheid hoeft immers niet in de weg te staan aan het oordeel dat de gerealiseerde uitbreiding in de lijn der verwachting lag.

Commentaar

Bij vergoeding van planschade resulteert de omstandigheid dat de betreffende ontwikkeling in de lijn der verwachting lag tot een groter maatschappelijk risico. In veel gevallen 5% van de waarde voorafgaande aan het ontstaan van de schade. Dat kan tot gevolg hebben dat de schade in het geheel buiten vergoeding blijft. Dat hoeft evenwel niet zo te zijn.

In het spiegelbeeldige geval van baatafroming leidt een normale maatschappelijke ontwikkeling er kennelijk wel toe dat baatafroming geheel achterwege blijft. Bijvoorbeeld ook in een geval dat de waardestijging veel groter is dan 5%.

De reden hiervoor is kennelijk dat baatafroming ter zake van een niet geëlimineerde bestemming volgens het Hof een uitzondering is, terwijl art. 40e Ow de verwachtingswaarde van de gronden ongemoeid laat. In zoverre is van een werkelijk spiegelbeeldige toepassing van het planschaderecht geen sprake.

Meer informatie?

Voor meer informatie over dit onderwerp of andere vragen over planschade of grondverwerving kunt u contact opnemen met Bas ten Kate, onteigeningsadvocaat (t: +31 (0)6 53 18 12 14 of e: bas.tenkate@nysingh.nl).

 

 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *